zondag 16 februari 2014

Beetje Tolkien (2)

herinner je nog, dat verhaal van Melchiorné?
benieuwd hoe het verdergaat?...



In de omgeving van Melchiornés huis waren veel bossen en natuurlijke weilanden groeiden aan de rand ervan. Er waren mooi glooiende dalen, waarin de weinige mensen in de omgeving woonden. Dit waren de Randlanden. Zeven graven regeerden de Zeven Gewesten, samen de Randlanden. Nu rende Melchiorné door het Noordelijkste Gewest terwijl het raaf-wezen tien meter boven hem uit vloog. Vaak raakte Melchiorné achterop omdat de raaf over een bos of een hoge helling vloog, maar hij bleef de noordelijke koers aanhouden. Na een tiental minuten te hebben gerend kwam Melchiorné aan bij een helling. Hij had de noordelijkste grens van de Randlanden bereikt... Hij klom de helling van de Hoge Heuvel op en keek uit over het land waarboven de raaf was blijven cirkelen...
Aan de voet van de heuvel groeiden mooie grazige weilanden, zoals het altijd al was geweest, maar nu zag Melchiorné dat de weilanden plaats hadden gemaakt voor een koude rotsgrond, en dat vuilgroene plasjes en beekjes uitgroeiden tot verraderlijke moerassen, waar geen leven mogelijk was. Het eens zo vruchtbare dal bij de Hoge Heuvel was een dood en kaal landschap geworden...
“Dit moet ik onmiddellijk aan de raad vertellen...” mompelde Melchiorné.
In gedachten verzonken wandelde hij terug naar huis, en van daaruit verder naar de stad enkele mijlen verderop.

Het graafschap waarin Melchiorné woonde had drie steden: Diolmed, de kleinste van de drie, Geowindé, bekend om zijn uitgestrekte landerijen, en de hoofdstad Wednir, groot en statig, met een stevige stadsmuur omwald. Naar die stad wandelde hij nu. Want in die stad, in het kleine Noordelijke Gewest van de Randlanden, was de Raad gevestigd, die bestond uit de zeven graven van de gewesten, plus Melchiorné zelf. Want Melchiorné was een wijgeer. De weinige mensden die dat wisten noemden hem een tovenaar, een magiër...
Maar dat Melchiorné kon toveren en beheksen, dat wisten maar weinigen. De leden van de Raad, en dan nog niet eens àl de leden, hadden een vermoeden, en wat boeren wiens oogst mislukt was, en wat oude dametjes in de steden. Al bij al niet meer dan een vijftigtal mensen. Maar toch werd hij in en buiten de stad gewantrouwd, en de mensen wendden hun blik af of sloegen een zijstraatje in als hij eraan kwam. 
De enige die niet bang voor hem was en hem verdedigde tegen boze boeren met brandende fakkels was Olwin, de graaf van het kleine gewest in het Noorden. Olwin wist niet of hij al dat ziekelijke gepraat van de boeren moest geloven. En als hij dat al deed, dan wist hij dat Melchiorné geen kwaad in de zin had. Nee, met Melchiorné was hij al van kinds af aan bevriend geweest. Vroeger was Olwin de zoon van een rijke molenaar. Maar toen hij zestien werd stierf zijn vader, en Olwin moest nu alleen voor de molen zien te zorgen. Het was een hard leven, en hij verdiende maar net genoeg geld om zichzelf in leven te houden. Maar de broer van zijn gestorven vader was graaf van het gewest waarin hij woonde, en toen zijn oom stierf erfde Olwin het graafschap. Hij besloot om in de grote molen te blijven wonen, waar hij inmiddels verliefd op was geworden.

Melchiorné was voor de muren van de grote stad Wednir aangekomen. Een steenworp van de stadsmuur verwijderd stond een grote molen. Het voetstuk waarop hij stond was van steen gemaakt, maar voor de rest bestond de molen uit hout. Hij was al oud, en daardoor krom, maar hij zou niet verwoest kunnen worden met minder dan een half leger woeste boeren. Maar de boeren hielden van hun graaf, Olwin, die goed voor hen zorgde en hen niet liet omkomen in een strenge winter.
Melchiorné was bij de molen aangekomen en klopte drie keer met de deurklopper. Olwin deed open. Hij schrok even toen hij hem zag. “Mijn vriend,” zei hij, “wat brengt jou hier? Kom toch binnen, het is koud voor deze tijd van het jaar.” “Nee, ik ben bang dat de Raad gewaarschuwd moet worden. Stuur boodschappers naar de Zeven Gewesten. Laat ze de graven vertellen dat ze voor de maand om is hier aanwezig moeten zijn. Laat ze haast maken, er is grote nood!” “Melchiorné, wat is er aan de hand?” “Er is geen tijd om dat nu uit te leggen. Stuur je boodschappers uit, en wees op tijd, de maand is binnen vier dagen reeds voorbij!”
Met deze woorden begaf Melchiorné zich naar de stad.






Deel twee




De muren van Wednir waren sterk en mooi, met twee torens aan weerskanten van de poort. Eenmaal door de poort naar binnen getreden kwam men op een groot plein, met witte kasseistenen betegeld. In het midden ervan stond een enorme kathedraal. Het grote middenstuk maakte plaats voor een toren die aan het begin hard en massief was, maar die alsmaar smaller werd naarmate hij omhoog steeg, honderdvijfentwintig meter de lucht in! Geheel uit witte steen was hij opgetrokken, het oudste monument van de Randlanden. Hij was door de eerste mensen die daar kwamen wonen gemaakt, om zich in schuil te houden, en om invallende stammen uit het Noorden en Oosten angst aan te jagen voor de macht van hun Goden, toen men daar nog in geloofde.
Maar de oorspronkelijke bewoners, de Goldoran, stierven uit, en hun huizen vervielen, en hun tronen en kronen moesten buigen voor de macht van andere volkeren... maar de toren en kathedraal van Dringolod bleef bestaan!







Geen opmerkingen:

Een reactie posten