woensdag 30 april 2014

Tolstoj


al jaren een zwak voor Leo Tolstoj 
(Jasnaja Poljana, spiritualiteit, 
onderwijsopvattingen...)

keert regelmatig terug
cyclisch 

gisteren, vandaag, morgen, overmorgen
opnieuw - kijken we Peace and War, de
verfilming van...

omdat Golo aanstaande zondag, met een
oude schoolvriend, naar Hoogstraten wil:
Napoleon's veldslag van 1814 overdoen...

of hoe Napoleon tot Tolstoj, geschiedenis
tot literatuur, film tot diepe spiritualiteit kan
leiden - in minder dan 'n bliksemschicht !





dinsdag 29 april 2014

Heradem

er is weer Buitengewoon
en dat is heel erg prettig !


 - laat je herademen -


Bayeux

Maya's en Inca's maar even uitgesteld

want bij papa las ie "Harold van Engeland"
(oud boekje, meegenomen op de rommelmarkt,
van ene Dirk Rochtus die al indrukwekkend jong 
met schrijven begon en inmiddels hoogleraar is in 
Antwerpen en Leuven, plus ook N-VA-politicus!...)

en dat gaf vanochtend toch weer een andere 
frisse impuls!




filmpje van David Newton
toen nog student a/h Goldsmiths College 
v/d University of London


donderdag 24 april 2014

zondag 20 april 2014

Pasen

paasochtend, rond elven, mooi portret 
gezien van Henriëtte van der Schalk
(die we beter kennen als Roland Holst)

zomaar per toeval ingerold, klikje op
NPO Cultura, bij het openen van
internet

van ene Annette Apon (en Digna Sinke
als producente, dàt voelde ik)

teer
indringend mooi
op tal van vlakken
herkenning

paas-cadeautje !






De zachte krachten zullen zeker winnen 
in ’t eind -- dit hoor ik als een innig fluistren 
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren 
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren 
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen, 
dan kan de groote zaligheid beginnen 
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle teederheden ruischen hooren 
als in kleine schelpen de groote zee. 
Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen 
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten: 
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.



vrijdag 18 april 2014

Innisfree

the common feeling?
Innisfree 





Herschrijven



Deel een
Melchiorn, de magiër



Het licht flikkerde op de wanden en belichtte de vele perkamentrollen en boeken die kris kras over de tafel verspreid lagen. Langs de muren stonden eikenhouten kasten, en in het midden van het vertrek stond een grote ronde tafel, nauwelijks te zien onder al de boeken die er op en rond lagen. Aan de tafel zat een man, in het bruin en grijs gekleed. Hier en daar was zijn tuniek met gouddraad versierd. Zijn kleding hing losjes rondom hem, en hij hield een grote houten staf in zijn hand. Hij had een baard die over de grond sleepte. Hij las de boeken op z’n tafel, terwijl hij gefrustreerd mompelde.
“Ik begrijp het niet... Hoe heeft dit kunnen gebeuren?” zei hij alsmaar tegen zichzelf. “Ik begrijp het niet! De lucht wordt beklemmend en het gevoel van grote angst snoert elk wezen de mond... net als de laatste keer... De sneeuwklokjes en madeliefjes zijn verdord, de bomen te kaal voor deze tijd van het jaar... In de bossen groeien slechte planten, en   wolven en wezens zonder naam groeien in aantal... onder de schaduw...” Terwijl hij in de boeken naar antwoorden zocht op zijn vele vragen, hoorde Melchiorn – dat was zijn naam – plotseling een krijsend geluid van buiten zijn hut komen. Het leek op het doodgewone gekras van een raaf, maar Melchiorn spitste zijn oren en luisterde aandachtig... Toen werden zijn ogen groot. Hij sprong op, de stoel waarop hij zat viel om, boeken vlogen om hem heen en vielen op de grond... Hij pakte de staf die hij vast hield steviger beet en repte zich naar buiten.
Buiten was het gekras beter te horen: een schel gekrijs dat door merg en been ging en je angst inboezemde... Melchiorn keek op naar de hemel en zag inderdaad een vogel ter grootte van een raaf, maar alleen zijn romp was bedekt met veren. Het diertje deed sterk denken aan een gevleugelde hagedis, maar was schrikwekkend dun, het vel zat strak rondom zijn botten gespannen... Nu vloog het in de richting van het noorden, en Melchiorn rende achter hem aan.
In de omgeving van Melchiorns huis waren vele bossen en natuurlijke weilanden groeiden aan de rand ervan. Er waren mooi glooiende dalen, waarin de weinige mensen van de omgeving woonden. Zeven heren regeerden de Zeven Gewesten, samen de Randlanden geheten. Dit was het Noordelijke Gewest, het kleinste van alle. En door dat gewest liep Melchiorn, nee rende, terwijl het raaf-wezen tien meter boven hem uit vloog. Vaak raakte hij achterop, omdat de raaf over een bos of een hoge helling vloog, maar hij bleef de noordelijke koers aanhouden. Na een tiental minuten te hebben gerend, kwam Melchiorn aan bij een helling. Hij had de noordelijkste grens van de Randlanden bereikt, de Hoge Heuvel... Hij klom de helling op en keek uit over het land waarboven de raaf was blijven cirkelen... Aan de voet van de heuvel groeiden mooie grazige weilanden, zoals het altijd al was geweest, maar nu zag Melchiorn dat de weilanden plaats hadden gemaakt voor een koude rotsgrond, en dat vuil-groene plasjes en beekjes uitgroeiden tot verraderlijke moerassen waar geen leven mogelijk was. Het eens zo vruchtbare dal bij de Hoge Heuvel was een dood en kaal landschap geworden... “Dit moet ik onmiddellijk aan de raad vertellen...” mompelde Melchiorn. In gedachten verzonken wandelde hij terug naar huis, en van daaruit verder naar de stad enkele mijlen verderop.

Het graafschap waarin Melchiorn woonde had drie steden: Diolmed, de kleinste van de drie, Geowindé, bekend om zijn uitgestrekte landerijen, en de hoofdstad Wednir, groot en statig, met een stevige stadsmuur omwald. Naar die stad wandelde hij. Want in die stad, in het kleine Noordelijke Gewest van de Randlanden, was de Raad gevestigd, die bestond uit de zeven graven van de Gewesten, plus Melchiorn zelf. Want Melchiorn was een wijsgeer. De weinige mensen die dat wisten, noemden hem een tovenaar, een magiër...
Maar dat Melchiorn kon toveren en beheksen, dat wisten maar weinigen. De leden van de Raad, en dan nog niet eens àl de leden, hadden een vermoeden, en wat boeren wiens oogst mislukt was, en wat oude dametjes in de steden. Al bij al niet meer dan een vijftigtal mensen. Toch werd hij in en buiten de stad gewantrouwd, en de mensen wendden hun blik af of sloegen een zijstraatje in als hij eraan kwam. De enige die niet bang voor hem was, en hem verdedigde tegen boze boeren met brandende fakkels, was Oldewei, de graaf van hun Noordelijke Gewest. Oldewei wist niet of hij al dat ziekelijke gepraat van de boeren moest geloven. En als hij dat al deed, dan wist hij dat Melchiorn geen kwaad in de zin had. Nee, met Melchiorn was hij al van kinds af aan bevriend geweest.
Vroeger was Oldewei de zoon van een rijke molenaar. Maar toen hij zestien werd, stierf zijn vader, en moest hij alleen voor de molen zien te zorgen. Het was een hard leven, en hij verdiende maar net genoeg geld om zichzelf in leven te houden. Maar de broer van zijn gestorven vader was graaf geweest van het gewest waarin hij woonde, en toen zijn oom stierf erfde Oldewei het graafschap. Hij besloot om in de grote molen te blijven wonen, waar hij inmiddels van was gaan houden. De stad Wednir lag in een dal en was omgeven met bos. Er liep een klein stroompje langs de muren van de stad, dat was ontsprongen in het bos. Terwijl het vredig langs stroomde, ontmoette het een rots, en op die rots stond de molen van Oldewei, een steenworp van de stadsmuur verwijderd. Hij was al oud, en daardoor krom, maar hij was minstens even groot als een huis en hij zou niet verwoest kunnen worden met minder dan een half leger woeste boeren. Maar de boeren hielden van hun graaf, Oldewei, die goed voor hen zorgde en hen niet liet omkomen in een strenge winter en met een slechte oogst.
Melchiorn was bij de molen aangekomen en klopte drie keer met de deurklopper. Oldewei deed open. Hij schrok even toen hij hem zag. “Mijn vriend,” zei hij, “wat brengt jou hier? Kom toch binnen, het is koud voor deze tijd van het jaar.” “Nee, ik ben bang dat de Raad gewaarschuwd moet worden. Stuur boodschappers naar de Zeven Gewesten. Laat ze de graven vertellen dat ze voor de maand verlopen is hier aanwezig moeten zijn. Laat ze haast maken, er is grote nood!” “Melchiorn, wat is er aan de hand?” “Er is geen tijd om dat nu uit te leggen. Stuur je boodschappers uit, en wees op tijd, de maand is binnen vier dagen reeds om!” Na dit gezegd te hebben, draaide Melchiorn zich om en liep naar de stad.





Deel twee
De stad Wednir



De muren van Wednir waren van sterke en mooie grijze stenen gemaakt, met een eikenhouten poort in het midden ervan. Eenmaal door de poort naar binnen getreden, kwam men al bijna direct in contact met de eerste huizen, die uit bruine steen gemaakt waren, met een simpel oranje dak er op. Men had de vele straten levendig gemaakt met het planten van verschillende soorten bomen, en hier en daar waren er mensen die klimplanten op de muren van hun huizen hadden. Soms was er een muurtje tussen twee huizen aangebracht met een houten deurtje erin en met een houten bordje ernaast. Op dat bordje stond altijd hetzelfde: dat je hierdoor een binnenhofje in kwam. Her en der waren wat kleine pleintjes,  alles bijeen gehouden door een groot stratennetwerk. De mensen vonden het best, en het zou ook best zijn geweest en het zou ook best zijn gebleven als er geen groot gevaar op komst was. Maar daar wist niemand van, behalve... Melchiorn.
Die was al bijna de halve stad door gelopen, toen hij bij een groot plein aankwam. Hij stak het over, langs een kleine kerk, die uit grijze steen was opgetrokken en die ouder was dan de meeste huizen van het Noordelijk Gewest, en kwam bij een mooi stenen gebouw aan. Het was de herberg De Heide, waar Melchiorn zou verblijven tot een van Oldewei’s mannetjes hem zou komen verwittigen.
Vier dagen later kwam in de herberg een man aan. Hij droeg een bruin wambuis dat met groene en met gouden draden was versierd, daar overheen een mantel en aan zijn riem een zwaard. Hij liep de  warme gelagkamer binnen. Aan een van de houten tafeltjes zag hij Melchiorn zitten. De man liep het vertrek door, en kwam aan bij het tafeltje. Melchiorn keek op. “Mijnheer,” zei de man, “de graaf vraagt of u naar de Raad zou willen komen, iedereen is er.” Hij aarzelde, wou nog iets zeggen, maar Melchiorn onderbrak hem: “Ah gelukkig, om eerlijk te zijn was ik al bang dat de graven niet eerder dan na zeven dagen hier zouden kunnen komen.” Hij was duidelijk opgelucht. “Iedereen is er,” herhaalde de man, “behalve u en de hertog van Goszi. Mijn heer verzocht mij om u dat nu reeds mede te delen.” En hij ging op fluisterende toon verder: “Mijn heer wantrouwt hem ernstig, en dat hij nu niet komt opdagen verzacht dat gevoel niet...” Melchiorn keek de boodschapper een tijdje ernstig aan, en mompelde toen tegen zichzelf: “Zo zo, de heer van Goszi nog niet hier... Komen de vermoedens die ik probeerde te onderdrukken dan uiteindelijk toch nog uit...” De boodschapper was nogal verbijsterd door deze woorden. Maar hij kreeg niet veel tijd om zich te verbazen, want Melchiorn stond op en samen gingen ze op weg.
Eenmaal de deur uit, staken zij het grote plein over. Het duo wandelde door de straten van de stad, en sloeg alsmaar kleinere zijpaadjes in, totdat de huizen aan weerszijden van de wegen vergeten en onbewoond waren, en een stuk ouder ook dan de huizen rondom het centrum. Melchiorn kende die huizen. Hij had ze zien bouwen, haastig, want de mensen waren niet meer veilig toen in hun kleine en kwetsbare dorpen. Hij had de eerste muren rond hun nieuwe stad zien bouwen. Toen was Wednir nog jong. Toen waren de straten nog nauw en vochtig. Over dezelfde straten had hij gelopen. Hij wist het nog goed. Het was stil, toen, in dat grauw en ver verleden, dat men was gaan vergeten, door angst.




Deel drie
De Raad



Melchiorn schrok op uit zijn overpeizinigen, toen hij en de boodschapper aankwamen bij een gebouw dat meteen opviel door zijn grootte en door de goede staat waarin het verkeerde. Het was prachtig. Weinig mensen wisten dat het bestond, en nog minder mensen wisten wat het was. Het bestond uit een heleboel huisvormige gebouwen, verbonden met wallen en bruggetjes. Het had torens, groot en klein, en een grote houten poort aan de voorkant, die met treden bereikt kon worden. Het was een burcht. De eerste inwoners van Wednir hadden dan wel een zwakke muur, maar eenmaal verscholen in hun burcht, maakten ze toch een goede kans om een belegering te overleven.
Nu zetelde de Raad er. Melchiorn deed de zware houten deuren open, en hij en de boodschapper gingen naar binnen. Ze stonden in een gang, verlicht door toortsen die spookachtig flikkerden. Vier bewakers stonden langs de muren opgesteld. Ze droegen hetzelfde wambuis met de groene cape als de boodschapper, maar behalve een zwaard in de schede, hadden zij ook een grote hellebaard in hun hand. De bewakers zegden niets. Melchiorn liep de gang door, tot ze opnieuw bij eikenhouten deuren aankwamen. Daarachter lag een klein binnenhofje, wist Melchiorn, met een waterput en een ijzeren hekwerk aan het eind. Maar die namen ze niet. Rechts in de muur was een kleine deuropening, en vlak daarachter had je een paar kleine treden, die Melchiorn nu langzaam afging. De boodschapper bleef bij de deuropening staan. Melchiorn kwam in een grote kamer, alweer verlicht met toortsen, die een grote houten tafel in het midden ervan bezat. Hij zag dat iedereen er was, behalve de hertog van Goszi. Melchiorn ging aan het ene uiteinde van de tafel zitten, naast Oldewei.
Meteen werd hij bestookt met vragen, maar hij wilde nog niets prijsgeven van wat hij te zeggen had “...tot de heer van Goszi hier aanwezig is”. Besliste hij. De heren hielden hun mond. “Ik denk dat dat nog wel even kan duren,” zei een kleine graaf met priemende oogjes en een zwarte mantel, “want waar was hij toen mijn akkers overstroomden, en veran-derden in grote modderpoelen? U allen wou wel een handje toesteken, maar onze Goszi hier vertikte het! Hij voelde zich wat te groot om de graaf van zo’n boerengemeente te helpen!” Terwijl de kleine graaf zijn raaspartij gehoor had weten te geven, kreeg hij heel wat bijval van de andere raadsleden. Melchiorn en zijn vriend Oldewei hadden niet veel gezegd. De spreker bezat het graafschap naast dat van Oldewei en heette Dordol Kodramov. Oldewei had hem altijd al een vreemde snuiter gevonden.

Opeens vlogen de deuren aan de andere kant van de zaal open en kwam er een man naarbinnen in een donkerrood en paars geruit wambuis en met een donkerrode cape. Hij had een donkere baard en hij droeg een sabel in de schede aan zijn riem. Dit was de hertog van Goszi. “Zo, Melchiorn, ik hoop dat het belangrijk is wat je me gaat vertellen! Ik ben heel de Randlanden doorgereisd om op tijd hier te kunnen zijn in dat nat boerenlandje van je!” Hij was duidelijk woedend dat hij als hertog van zo‘n groot hertogdom als Goszi hierheen werd gestuurd, zo ver van huis.
Na Goszi’s getier ging Oldewei wat rechter zitten, maar Melchiorn besteedde er niet te veel aandacht aan. “Ik heb voortekenen gelezen, heren, die mij diep verontrusten” zei hij, en iedereen luisterde. “De lucht hier is al twee weken zwart en grauw, de bossen leven niet meer, en de bladeren vallen van de bomen, nu, in juni!” De regeerders luisterden aandachtig. Dit was zonder meer vreemd en merkwaardig. “De bloemen bloeien niet, nee, ze liggen er zelfs als dood bij!” Oldewei luisterde nu zeer aandachtig, maar de heer van Goszi begon onrustig op zijn stoel te wiebelen. Zijn hoofd begon rood aan te lopen. “Heb je, Melchiorn, echt niet wat meer redenen om mij helemaal hier te krijgen, behalve jouw...” hij maakte een draaiende beweging met zijn hand als om naar woorden te zoeken “...natuur probleempjes?” Er werd niet gelachen.
“Ja, Goszi. Eén reden, om precies te zijn.” Hij wachtte even. “Er komt oorlog.” Iedereen schrok, en men begon door elkaar te praten.
“Met wie, Melchiorn, met wie?” riep Oldewei door al het geschreeuw en de beschuldigingen door. “Met een man genaamd Sargon, net zoals de laatste keer!” Nu viel er een grote stilte. “Sargon de Wrede, Sargon de Heer!” riep Melchiorn als een beschuldiging door de zaal, als om het hen duidelijk te maken.
“Sargon is slechts een mythe, een persoonlijking van het kwade, om kleine kinderen mee bang te maken!” Dat was Dordol. Als voorheen kreeg hij veel bijval van de andere graven. “En hoe denk jij, Dordol Kodramov, dat hij die functie van boeman gekregen heeft!” Oldewei keek naar Melchiorn, maar hij was het niet die gesproken had. De jonge graaf  volgde diens blik en zag dat het, gek genoeg, Goszi was die de magiër ter hulp geschoten was! “Als het echt Sargon is, moeten wij ons verdedigen” ging Goszi verder. “Maar daarvoor moeten we absoluut zeker zijn. Wat weet je nog meer, Melchiorn?” Iedereen keek nu weer naar hem, behalve Dordol, die naar de grond zat te staren, boos dat zijn reputatie nu weer door die Goszi naar de vaantjes geholpen was. “Sargon is alles behalve een mythe, en we moeten inderdaad maatregelen treffen. Er komt oorlog. De Ongeluksvogel heeft weer gevlogen, de velden aan de Hoge Heuvel liggen er als dood bij, daar waar wij hem de vorige keer terugdreven, honderdenzeven jaar geleden!” Er werd geapplaudiseerd. “Zorg dat u uw mensen inlicht, en zorg dat u klaarstaat als het zover is! Ga nu, rijd terug zo snel als u gekomen bent!” En dat deden ze. Ze renden bijna de zaal uit, want het was verschrikkelijk nieuws dat zij gehoord hadden. Sargon leefde, Sargon was terug!



donderdag 17 april 2014

'n Lied, 'n film

"La chanson a été écrite et composée à Saint-Georges-Motel (Eure, Normandie), dans la propriété de Michel Sardou.
Ayant souffert de la chaleur suite à un long voyage, le synthétiseur Moog de Jacques Revaux donnait un son proche d'une cornemuse [doedelzak]ce qui donna l'idée à Michel Sardou d'écrire une chanson écossaise [Schots]. Comme ni
lui, ni Pierre Delanoë ne connaissait l'Écosse [Schotland], Delanoë partit chercher de la documentation mais revint avec
un prospectus touristique sur l'Irlande. Le texte s'inspire finalement du film L'Homme tranquille de John Ford, en évo-
quant un mariage irlandais et laissant le conflit entre protestants et catholiques en toile de fond"...

lees je dan op Wikipedia

want je wil weten hoè zo'n lied ontstaat

nee, dat moét je weten, iets drijft je...

want jij moet ontdekken (omdat jij dat zult doorgeven)
dat aan het lied ten grondslag ligt: een hele mooie film
een diepe, persoonlijke, voor allen belangrijke film:
The Quiet Man ! 

(verfilming van een boek van een auteur voor wie Hemingway
de allergrootste bewondering had...)

van een regisseur van wie weinigen de naam kunnen noemen
maar die we allemaal kennen, uit onze prilste jeugdjaren, tijd 
van de cowboyfilms, John Wayne, spagetti western decors




maar de man die Amerikanen (en ons) een identiteit gaf, 
was een Ier, die niet John Ford heette, maar bij geboorte
Sean Aloysius Kilmartin O'Feeney !

en hij HIELD van Ierland
van hoe het ANDERS was in Ierland
en DAT PRECIES wilde hij vangen
en doorgeven in zijn film

en dat deed hij in 1952
en dat werkte nog steeds
dat raakte nog steeds de harten 
van wie er ontvankelijk voor was
van wie tot hetzelfde clubje behoorde
in 1981, van iemand als Michel Sardou

dat raakt nog steeds in 2014 mensen
als jij en ik

misschien

mensen die zich afvragen
die het boeiend vinden
te weten, te ontdekken
waarom iemand zingt
wat hij zingt

mensen die zich graag laten verwonderen
door de wonderlijke draden van verbinding
tussen zulke uiteenlopende zaken als lied en
film, zulke van elkaar verschillende levens als 
het jouwe, het mijne, het hunne, het zijne...

op het eerste gezicht, tenminste





woensdag 16 april 2014

Inspiratie

het filmpje dat mij wel kan bekoren !





en dat wat Golo geestig vond !





en tot slot, wat ons beiden mag raken !!








Accreditation

een internationaal diploma dus, in plaats 
van een Vlaams, of Nederlands !

maar net zo goed erkend, en net zo goed
toegang gevend tot welk vervolg waar ook,
van hogeschool tot universiteit, hier en in het 
buitenland !

dàt is wat die Amerikaanse Clonlara School
(met de Ierse naam...) voor ons zou kunnen 
betekenen: 40 eigen leerlingen hebben die,
maar daarnaast zo'n 700 andere die, wereld-
wijd verspreid, in nauw overleg maar vooral 
naar eigen inzicht, van huis uit en op eigen tempo, 
invulling kunnen geven aan wat allereerst het
program en vervolgens ook het afstudeertraject
moet zijn: heer-lijk, lijkt me ! 

geen Frans meer, als je dat zelf niet wil
geen Grieks, maar wel Sanskriet, als jij dat
logischer vindt na Latijn, of Fins, of Mongools
of helemaal iets anders: een boek uitgeven, een
muziekstuk componeren,  meespelen in een
theaterstuk...

en "community service" niet te vergeten: een bieb 
mee helpen verhuizen, goede doelen een handje 
toesteken, zoeken waar je talent van betekenis
kan zijn voor je medemens...

ik vind het prachtig, en ben hoopvol
ga praten met tal van mensen
en houd je - zoals steeds -
inspirerend (toch?)
op de hoogte



Clonlara

ook Iers, de naam dan - van Cluain Lára, 
Weiland der Merries, veelbelovend!...

maar verder weet ik het niet, waarom ze 
de school die naam gaven - school???



we zijn een beetje aan het zoeken
of er geen alternatieven zijn voor
het toch wel drukkende Vlaamse
examensysteem - o wat missen
we de vrijheid, de schoonheid
van écht thuisonderwijs!!

wat is het zwoégen, iedere dag,
voor Golo, maar ook voor mij !
nooit eens lekker van het ene
in het andere duikelen, altijd
weer die rem, altijd weer een
ander vak dat staat te wachten

nauwelijks opkijken, nauwelijks
ademen, altijd weer door-door
was dàt wel de bedoeling??

gisteren een gesprekje gehad met 
een oude kompane op het TO-pad

zij liet "Clonlara" vallen, en zie daar 
gloort weer hoop aan de horizon !

ik verklap nog niet te veel, moet met
nog wat andere medestanders rustig
bekijken en overleggen...

maar ik voel me rustiger worden,
ontspannen, terugkeren tot mezelf

ja, je wordt er lyrisch van...



dinsdag 15 april 2014

Fairy faith

waar zo'n Franse liedjes over 
Ierse meren al niet toe leiden...




 - imdb -


Cinéma, chanson

gisteravond naar Marcel Pagnol gekeken
(Jean de Florette - kan ik ab-so-luut aanbevelen
als kennismaking met Franse film, en literatuur, en 
genieten van de Provence, en Yves Montand, en...)

en vanmorgen het feestje compleet gemaakt
met, bij de start van Frans, dit prachtige lied 
van Michel Sardou !



aarde verschroeid door de wind
heidevelden van steen
rondom de meren
is het voor de levenden
een beetje hel
de Connemara

wolken zwart
die komen uit het noorden
kleuren de aarde
de meren, de rivieren
dat is het decor
van Connemara

de volgende lente
was de Ierse lucht
weer vredig en is
Maureen gedoken,
naakt, in een meer
van Connemara

Sean Kelly die zei
ik ben katholiek
en Maureen ook
de kerk in graniet
van Limerick
Maureen die zei 'ja'!

uit Tipperary
Bally-Connelly
en uit Galway
zijn ze toegekomen
in het graafschap
van Connemara

daar had je de Connors,
de O'Conolly's
de Flaherty's
van de Ring van Kerry
en van wat wil je drinken
drie dagen en twee nachten lang!

daarginds in Connemara
kent men allen de prijs van de stilte
daarginds in Connemara
zegt men dat het leven
een dwaasheid is
en dwaasheid
die dans je!

aarde verschroeid...

men leeft daar nog
in de tijd van de Kelten
en van Cromwell
in ‘t ritme van de regen
en van de zonneschijn
in de tred van de paarden

men gelooft er nog
in de monsters van de meren
die men ziet zwemmen
soms een zomeravond
en terug onderduiken
voor de eeuwigheid

men ziet er ook 
mannen van vroeger
komen zoeken
de rust van de ziel
en voor het hart
een smaak van beter

men gelooft er nog 
dat de dag zal komen
hij is al nabij
dat de Ieren
vrede zullen sluiten
rondom het kruis

daarginds in Connemara
kent men allen de prijs van de oorlog
daarginds in Connemara
accepteert men niet
de vrede van de Welshmen, noch
die van de koningen van Engeland


zondag 13 april 2014

Tuinplezier

grenzend aan z'n slaapkamer
eindelijk begonnen aan z'n 
eigen balkontuintje 
- met vijvertje! -



muziek: L'Infinitamente Piccolo (nr.7)...



vrijdag 11 april 2014

Daniël

naar Daniël gekeken en zo nieuwsgierig
geworden naar de Perzen en naar Cyrus
de Grote heel in het bijzonder !

"one who was destined to be regarded as wise 
for all the ages of the world to come"...






dinsdag 8 april 2014

Persepolis

nog eentje, o zo mooi zo mooi !





Groot Helpt Klein

alleen maar schoonheid zie ik...
en zoveel ethiek...




wat dan was oorzaak van de omslag...
waarom zou het inzicht hierin enkel tot de privacy behoren...
vragen die leven...


maandag 7 april 2014

Zout (2)



maar inwijkeling zijn geeft dan weer andere 
kansen: blikveld verruimen, verbanden zien 
die in het zelfgenoegzaam trots zijn vaak 
verloren gaan...

het verband bijvoorbeeld tussen zoutwinning in 
Bretagne en die in Vlaamse kustgemeenten als 
De Panne en Knokke Het Zoute, en wellicht nog 
andere tot in Zeeuws-Vlaanderen toe - heel lang 
geleden natuurlijk, tijd van Romeinen en Kelten, 
tijd van Menapiërs en Gallia Belgica (wie weet nog
dat ook een stuk van Nederland daartoe behoorde, 
dat Zeelanders en misschien zelfs Brabanders deel 
uitmaakten van de "dappersten aller Galliërs"...)

meer dan tweeduizend jaar geleden, vermoed ik, 
moet het er in de buurt van bijv. de Romeinse
Vlakte, zo zijn toegegaan...




en hoe ik op die gedachte gekomen ben, ergens in de 
loop van de dag vandaag, van het een weer in het 
ander terechtkomend... ik weet het niet meer...

maar wáár is het wel, zeggen mijn nieren 

en gelukkig ook iemand als prof.dr. Hugo Thoen
van de RU Gent, die veertien jaar geleden al een 
heel interessant artikel schreef: "Zoutwinning: de 
teloorgang van een antieke industrie langs de Vlaamse kust"
en nog steeds lezingen houdt over het onderwerp!




wat zochten die Romeinen toch in onze streken?
heb je je dat nooit afgevraagd... 

wel, zout misschien, dat moet zijn gewonnen in 
"pannen" als die die je hierboven zag, heel erg
langzaam, heel erg kostbaar - zout dat toen niet 
alleen het eten veel lekkerder moest maken, maar 
ook zo onmisbaar was voor elke conservering...

heel erg veel Romeinen moeten dat toen de moeite 
waard hebben gevonden, om daarvoor naar onze streken
af te zakken - heel veel nederzettingen moeten hier hebben 
gestaan, en heiligdommetjes in de trant van de Nehalennia-
altaartjes op Colijnsplaat moeten ze om dat allemaal te
beschermen hebben opgericht...




al die abdijen daar in de Westhoek, Ten Duinen en 
Ten Bogaerde en andere, rusten die niet op de oude 
fundamenten van voormalige Romeinse villa's, van 
waaruit de exploitatie van zout toen moet zijn
gecoördineerd?

"Archeologen vonden een zandrug van meer dan 100m
lang, en troffen er scherven van aardenwerken containers
aan, die dienden voor de zoutwinning"... 

- meldde Focus-WTV nog aan het West-Vlaamse kijkerspubliek,
een veertiental dagen geleden -

"Iets wat voor onze streek erg belangrijk was in die tijd, 
maar waar maar weinig over geweten is"...

Je zou ze toch soms wat meer zelfgenoegzaamheid toewensen, 
die Vlamingen!...